De praktijk wordt opgestart

En zo begonnen Janny en ik begin februari 1980 de praktijk. De eerste patiënt zagen we in het Carolus ziekenhuis op een maandagochtend om 8.30 uur. Ik was in Groningen gewend geweest te starten om 8 uur, maar niemand wilde eerder dan half negen. Als ik me goed herinner hadden we in het begin in het Willem-Alexander Ziekenhuis (WAZ) alleen spreekuur op maandag-, woensdag- en vrijdagmiddag en elke ochtend en de andere middagen in het Carolus. Dat liep al snel spaak, omdat de spreekuren in het WAZ vol waren en de wachttijden opliepen, terwijl er in het Carolus genoeg ruimte was. Toen werd het, na een verbouwing in het WAZ, maandag hele dag, woensdag hele dag en vrijdagochtend Carolus en dinsdag hele dag, donderdag hele dag en vrijdagmiddag Willem-Alexander. Dat was gunstig voor het contactallergologisch onderzoek: plakken op maandag en dinsdag, pleisters er af halen op woensdag en donderdag en tweede aflezing op vrijdagochtend en vrijdagmiddag. Bovendien hoefden we nog maar één keer per week tussen de middag van het Carolus naar het Willem-Alexander ziekenhuis, van de ene kant van Den Bosch via de vierbaans Zandzuigerstraat (70 km/uur) naar de andere kant van de stad.   

Kleine chirurgie op de polikliniek met Janny. Mocht u zich verbazen over de lange mouwen: dat mocht van de directie omdat ik destijds nogal psoriasis op mijn ellebogen had. Ik was niet dol op de dermatochirurgie en verwees relatief veel naar de (plastisch) chirurg. Het ging gelukkig bijna altijd goed, ofschoon ik wel wat littekens gemaakt heb (maar die zag ik ook van de chirurgen). Eén keer heb ik me wat verkeken bij het verwijderen van een basaalcelcarcinoom op het voorhoofd van een patiënte: ik kreeg de wond niet goed dicht. Maar ik bleef rustig, heb de situatie aan haar uitgelegd en gezegd dat ik een chirurg zou halen. Tien minuten later heeft Erik-Jan Carol de wond gesloten. De patiënte was heel tevreden over hoe ik het aangepakt had.      

Ik kan gerust zeggen: het liep storm. In 1980 waren de verdiensten al veel hoger dan de omzet van mijn voorganger in 1979. Ik was dus bezig Albert Heijn filiaalmanager te worden en dat beviel me goed! Voor een deel kwam dat door een sterke toename van het aantal nieuwe patiënten, voor een ander deel door een geheel andere praktijkvoering. Mijn voorganger was een product van zijn tijd: een ouderwetse dermatoloog die vanachter het bureau de diagnose stelde en een zalfje voorschreef: ''tot de volgende keer''. Maar ik had de allergietesten en sclerotherapie ("spuiten") van spataderen in mijn repertoire en natuurlijk kleine chirurgie voor kwaadaardige tumoren (huidkanker) en goedaardige tumoren, zoals moedervlekken, dat laatste overigens tot chagrijn van de plastisch chirurg. Dat mocht toen allemaal nog van de zorgverzekeraars, die toen nog ziekenfondsen genoemd werden. Van een collega had ik geleerd dat ik het beste zelf de allergenen kon bestellen en betalen; ik moest vermijden dat dit via de afdeling inkoop van het ziekenhuis zou gaan. De reden daarvoor was eenvoudig: de onkostenvergoeding van de ziekenfondsen voor de materialen was hoger dan het verrichtingentarief. Sclerotherapie werd destijds ook zeer genereus gehonoreerd. In die tijd mocht je nog de allerkleinste roodblauwe adertjes (bezemrijsvarices) met sclerotherapie behandelen en dat deed ik dan ook graag.  

Nieuwe secretaresse gezocht

Omdat het snel drukker werd, moest er al na korte tijd een secretaresse worden aangenomen. Het was namelijk voor Janny onmogelijk om gelijktijdig allergietesten te doen, me te helpen met sclerotherapie of open benen verbinden en ook nog de telefoon te beheren voor afspraken en andere zaken. Die secretaresse kwam er en Janny is toen mijn doktersassistente geworden. Janny heeft fulltime op de polikliniek gewerkt tot eind december 1983, bijna 4 jaar dus. Daarna kwam Ans, maar die kreeg op een gegeven moment Pfeiffer en toen is Janny nog ingevallen tot enkele dagen voor de geboorte van onze dochter Elleke in april 1984. Het viel haar vooral heel zwaar om voorover te buigen en te verbinden met zo’n dikke buik. Naderhand viel ze nog regelmatig in. In april 1999, toen we alleen nog in het Carolus ziekenhuis werkten, kwam ze voor één dag per week op de loonlijst van het ziekenhuis en in 2000 voor 0,32 fte. De laatste paar jaren heeft Janny een niet onaanzienlijk deel van de tijd fulltime gewerkt. In de jaarverslagen van 1998, 1999 en 2000 las ik dat er in alle 3 jaren een vacature was voor ofwel de doktersassistente of de secretaresse en er was ook nogal wat ziekte onder de personeelsleden. Janny kon gelukkig beide functies vervullen. 

 

Dat kon toen ook zonder probleem, omdat de kinderen inmiddels wat ouder waren en voor zichzelf konden zorgen. Nu we het toch over personeel hebben, daar hebben we niet altijd veel geluk mee gehad. Veel van hen vielen korte of langere tijd uit door ziekte. Sommigen zijn (vrij) lang gebleven, zoals de secretaresses Els, Corina, Hanny, Marijke en Barbara, en de doktersassistentes Erica en Marlies. Een van hen was altijd zenuwachtig en ging snel in de verdediging (''ja, maar dat wist ik niet'') en een ander viel regelmatig uit door een rughernia of iets anders en dan moest Janny weer opdraven (kinderen uitbesteden, niet altijd makkelijk, onze ouders woonden 100 resp. 220 kilometer noordelijker). Enkele medewerkers hebben we in de proeftijd al weer moeten ontslaan, omdat ze niet aan de verwachtingen voldeden. Eén doktersassistente was zo streng tegen de patiënten, die noemde we ''De Generaal''. Eén secretaresse maakte verschrikkelijk veel typefouten en een ander had, zo merkte ik al snel, de gewoonte om, wanneer ik het luik tussen mijn spreekkamer en het secretariële gedeelte opendeed, zich uit te rekken met de handen achter haar hoofd, borst(en) vooruit, wat Janny maar matig wist te waarderen. Deze secretaresse wist blijkbaar niet dat Janny en ik, die er toen ook bij was, getrouwd waren. Ze heeft het niet lang volgehouden .....

De baas was wel wat streng

Maar er waren ook secretaresses en doktersassistentes die na relatief korte tijd zelf ontslag hebben genomen. Dat lag ongetwijfeld voor een deel aan mij. Ik ben altijd een autoritair mens geweest en in de praktijk wist ik precies hoe ik alles geregeld wilde hebben en daar moesten de medewerkers zich aan houden. Ook kon ik nog wel eens boos worden of wat geïrriteerd reageren als ze iets niet goed gedaan hadden. Het was eigenlijk altijd verschrikkelijk druk. Om te zorgen dat ik continu door kon gaan, was het hun taak om de patiënten tijdig naar een onderzoekskamer te brengen en zo nodig te vragen om zich alvast gedeeltelijk te ontkleden en om alvast verbanden te verwijderen bij patiënten met open benen. Als ik dan niet verder kon omdat een patiënt niet naar een kamer gebracht was, nog niet uitgekleed was of het verband nog om de benen had zitten en zeker wanneer dat een paar keer op een dag gebeurde, dan wilde ik mijn irritatie daarover nog wel eens ventileren. Als Janny er was, dan kreeg zij meestal de volle laag (ook als ze de fout niet zelf gemaakt had, ze kon er gelukkig vrij goed tegen), maar anders de secretaresse of doktersassistente zelf. Ik was dus een tamelijk veeleisende en zeker niet gemakkelijke baas en daar kan of wil niet iedereen mee of voor werken. Voor sommigen was de drukte (we hadden ongetwijfeld een van de drukste, zo niet de drukste, poliklinieken van het ziekenhuis), reden om na korte of iets langere tijd een andere baan te gaan zoeken. Alles bij mekaar heb ik, naast Janny, 10 doktersassistentes gehad en 15 secretaresses in 22,5 jaar; dat geeft wel een beetje te denken! Maar de langdurige samenwerking tussen Janny en mij heeft onze band veel goed gedaan. Echte ruzie hebben we zelden gehad en nooit in aanwezigheid van patiënten.

Faciliteiten

De faciliteiten in het Carolus Ziekenhuis waren goed (genoeg), maar in het Willem-Alexander ziekenhuis zeer beperkt. Ik praktiseerde daar in een zogeheten portacabin, te vergelijken met een keet van Rijkswaterstaat of de schaftkeet van een bouwbedrijf. Die was met de kopse kant vastgemaakt aan een zijmuur van het ziekenhuis, waar uiteraard een gat in gehakt was. Als je binnenkwam, begon het meteen te kraken, want het hele ding was van hout en rustte op balken. Rechts was een kleine tafel met de secretaresse er achter, doorlopend was er rechts een onderzoeks-/behandelkamer en aan het einde mijn spreekkamer. Het was niet geschikt voor de grote kwaliteitspraktijk die ik wilde opbouwen. Los van het gekraak, het was allemaal veel te klein. Er was nauwelijks mogelijkheid om allergietesten te doen en al helemaal niet om de ''kieptafel'', die ik nodig had voor het spuiten van spataderen, te plaatsen. Ik geloof dat ik al na een week of twee een afspraak gemaakt heb met Rudolf Spittuler om te praten over een betere huisvesting. Hij nam me op een vrijdag-avond mee naar zijn huis in Nistelrode (d.w.z. ik reed achter hem aan met mijn auto), waar we hebben zitten dubben over de mogelijkheden, bijvoorbeeld 2 portacabines naast elkaar. We hebben uren zitten tekenen en uitproberen, maar het lukte niet.

Bovendien bleef je altijd met het probleem van het gekraak zitten en – zeker ook niet onbelangrijk – dat het zodanig gehorig was dat de ene patiënt kon horen wat ik met de ander besprak en dat kan natuurlijk niet (overigens bestond de privacy waakhond toen nog niet). De conclusie was dan ook dat er een stuk aan het ziekenhuis aangebouwd moest worden, het kon niet anders. Omdat we samen een paar borrels gedronken hadden, overnachtte ik bij hem en zijn vrouw Lydi. We hebben het sindsdien altijd heel goed met elkaar kunnen vinden.

Uiteraard duurde het even voordat alles geregeld was met bouwtekeningen, vergunningen en financiering, maar ik meen dat er in de zomer al begonnen werd met de aanbouw en dat het na een aantal maanden klaar was. In de tussentijd konden we gebruik maken van enkele kamers op de afdeling spoedeisende hulp. Er was maar één onderzoekskamer annex behandelkamer aanwezig, en dat gaf vaak grote problemen wanneer er kort achter elkaar oudere patiënten kwamen die zich moesten uitkleden of gezwachteld moesten worden. Maar na enkele maanden was de poli klaar en hadden we de beschikking over een receptie, vrij grote behandelkamer, een onderzoekskamer en mijn spreekkamer. Allemaal vrij klein en wat smalletjes, maar het ging…….   

Alle begin is moeilijk

Achteraf moet ik zeggen dat ik het de eerste 2-3 jaar niet gemakkelijk heb gehad. Daar waren enkele redenen voor. Om te beginnen was alles nieuw en ik moest alles zelf ontdekken, wat iemand die in een maatschap komt niet hoeft te doen. Tijdens de opleiding werd er destijds ook geen enkele aandacht besteed aan praktijkvoering. De werkdagen waren lang en de spreekuren heel druk. Ik klaag daar niet over en dat recht heb ik ook niet, want ik wilde dat zelf zo. Uiteraard had ik ook wat minder patiënten per uur kunnen inplannen, maar dan zouden de toegangstijden oplopen en dat wilde ik ook weer niet, dat was ook nadelig voor de patiënten. We hadden het zo druk dat, wanneer Janny en ik op vrijdag tussen de middag van het Carolus naar het Willem-Alexander reden, ze eerst een status voor mijn neus hield en vervolgens een dictafoon, zodat ik een brief aan de huisarts kon inspreken. En dan aten we halverwege de Zandzuigerstraat ook nog de krentenbollen tijdens het rijden. Volstrekt onverantwoord natuurlijk, maar we deden het in onze jeugdige overmoedigheid en het is gelukkig altijd goed gegaan.

 

Toen ik de leeftijd van 40 gepasseerd was, had ik een leesbril nodig. Ik kon niet wennen aan multifocale glazen en had toen, als ware ik een oudere deftige dame, mijn leesbril aan een koordje om mijn nek. Rechts: fibroompjes, wratjes, moedervlekken, pigmentvlekjes e.d. konden goed met de hyfrecator ''weggebrand'' worden

De opleiding had beter gekund

Verder was mijn kennis van en ervaring met de dermatologie een probleem. De opleiding in Groningen was volstrekt ongestructureerd geweest en behalve Johan Nater deed geen van de stafleden, inclusief de chef de policlinique, van wie we toch het meeste moesten leren, zijn best voor de assistenten in opleiding. Kruizinga was weliswaar een aimabel mens, maar een ouderwetse en oude dermatoloog (hij was 61 toen ik begon aan de opleiding), die uit de Achterhoek naar Groningen gehaald was door Klokke en absoluut niet de kennis had noch de didactische vaardigheden om ons adequaat de moderne dermatologie bij te brengen. Geen van de stafleden had enige chirurgische ervaring, de basisbeginselen van de dermatochirurgie moesten we van enkele oudere assistenten met tropenervaring leren. En voor het leren van de sclerotherapie ben ik een aantal keren naar de ''Heilanstalt für Beinleiden'' in Hamburg afgereisd, maar ik heb maar 2 of 3 keer mogen spuiten, dat was mijn hele ervaring!!! Met andere woorden: ik was dan formeel wel dermatoloog, maar met een zeer krakkemikkige opleiding. Ik moest nog heel veel leren en ervaring opdoen in de praktijk zelf en heel veel dingen nazoeken om de patiënten op de juiste manier te kunnen diagnosticeren en behandelen. Dat resulteerde vaak in een zeer lang uitlopend spreekuur, waar patiënten soms wel anderhalf uur moesten wachten. Ik ken collega’s die zich daar niets van aantrekken, maar ik vond het verschrikkelijk. Enerzijds slecht voor mijn naam, maar ook uiterst vervelend voor de patiënten: de dokter is immers niet de enige die het druk heeft. Ook waren er altijd veel intercollegiale consulten op de afdelingen van opgenomen patiënten. Ik had er soms wel meer dan 10, en dan kon ik daar aan beginnen wanneer ik om half 7 eindelijk met het poliklinische spreekuur klaar was…. Vaak was ik pas om 8 uur, half negen thuis of nog later. In de weekenden moest er ook altijd gewerkt worden, en wel aan de administratie. Janny en ik namen, vooral in het begin, toen we alles nog samen deden, altijd grote stapels statussen mee naar huis en dan gingen we beiden brieven typen voor de huisartsen, die ik eerst in mijn dictafoon insprak. Janny typte op een elektrische machine (die we meenamen van de praktijk), ik typte op een mechanische!    

Angst voor fouten

Ik was ook altijd bang dat er wat fout zou gaan bij het spuiten van spataderen. Wanneer je per ongelijk in een arterie (slagader) spuit of het scleroseermiddel komt via een anastomose in een arterie terecht, kan zomaar een heel stuk huid afsterven (en dat is ook een keer gebeurd). Ook was ik bang een melanoom, de meest agressieve en potentieel dodelijke vorm van huidkanker, te missen en ook dat is me twee keer overkomen. Dat achtervolgt me soms nu nog wel eens, 30 en 42 jaar na dato. Natuurlijk realiseer ik me dat de kans op fouten en complicaties veel groter is bij bijvoorbeeld gynaecologen en chirurgen, en zeker ook bij huisartsen, maar die kunnen er misschien beter mee omgaan. Ik heb tot op het laatst, toen ik al wel 12 jaar of zo heel comfortabel in mijn dermatologische praktijkvel zat, altijd een beetje van die angst gehouden.

En tenslotte: ik heb bewust gekozen voor een solopraktijk, maar die eerste jaren miste ik collega’s aan wie ik wat kon vragen, met wie ik kon overleggen en aan wie ik wat leuks kon laten zien. Later zou ik bij ''iets moois'' altijd mijn secretaresse en doktersassistente erbij halen om te laten zien en wat uitleg te geven, uiteraard na goedkeuring van de betreffende persoon te hebben gevraagd en verkregen. Pas na een jaar of 3 had ik het gevoel wat meer grip en controle op de hele praktijk te krijgen en kon ik meer aandacht besteden aan het verbeteren van alle processen, die me zouden helpen om een kwaliteitspraktijk op te bouwen en een hele goede naam te verwerven. 

Ga verder met: